Voedselbossen komen in veel vormen voor. Je kunt ze indelen naar schaal, naar doel en naar de ontwerpmethode die eraan ten grondslag ligt.
Een voedselbostuin is klein en particulier, vaak een achtertuin die volgens voedselbosprincipes is aangeplant. Een perceel-voedselbos beslaat doorgaans een halve tot enkele hectares. Grootschalige voedselbossen op landgoederen of boerenland kunnen meerdere hectares groot zijn en mikken op serieuze productie.
Een productievoedselbos richt zich op het oogsten en verkopen van gewassen. Een educatie- of gemeenschapsvoedselbos draait om leren, ontmoeten en samen tuinieren. Een natuur- of klimaatvoedselbos legt de nadruk op biodiversiteit, bodemherstel en koolstofopslag. In de praktijk combineren veel voedselbossen deze doelen.
Veel voedselbossen zijn geïnspireerd op permacultuur, waarbij het ontwerp de natuurlijke samenhang van een ecosysteem nabootst. Een andere stroming is de syntropische landbouw, die sterk op successie en snoei leunt om groei te versnellen. Beide streven naar een gelaagd systeem naar voorbeeld van een gematigd loofbos.